Hoofdstuk 77 Al-Moersalaat: Zij die Gezonden zijn

GEOPENBAARD TE MAKKAH 2 Paragrafen en 50 verzen

Algemene opmerkingen:

Dit hoofdstuk is als het ware een aanvulling van het voorgaande, want, terwijl daarin aangetoond is, hoe de rechtschapenen tot volmaaktheid komen – zijnde degenen die de boodschap aangenomen hebben – wordt hier het lot van de verwerpers duidelijk aangetoond. Zij die gezonden zijn, zijn de aposterlen, en het verwerpen van hun boodschap brengt slechte gevolgern mee. Aan dat woord, dat in het eerste vers voorkomt, ontleent dit hoofdstuk zijn titel.

Biesmiellaahier Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

Paragraaf. 1 Gevolgen van het verwerpen.

1 Bij de met goedheid gezondenen.

2 En bij hen die verbrijzelen.

3 En bij hen, die heinde en ver verspreiden.

4 En bij hen die goed onderscheiden.

5 En bij hen die de vermaning toedienen,

6 Om tot verontschuldiging te brengen en te waarschuwen. 1371

7 Voorwaar, hetgeen u is beloofd moet gebeuren.

8 Dus, als de sterren verduisterd zullen zijn.

9 En als de hemelen geopend zullen worden.

10 En als de bergen verstrooid zullen zijn.

11 En als de gezanten verzameld zullen worden.

12 Tot welke Dag is dit einde uitgesteld?

13 Tot de Dag der beslissing.

14 En wat weet gij ervan wat de Dag der beslissing is?

15 Wee op die Dag, degenen die loochenen.

16 Hebben Wij de vroegere (ongelovigen) niet vernietigd?

17 Wij zullen daarom die van latere tijden hen doen volgen.

18 Zo behandelen Wij de schuldigen.

19 Wee op die Dag degenen die loochenen!

20 Schiepen Wij u niet uit een kleine levenskiem

21 Die Wij op een veilige plaats bewaarden.

22 Voor een bepaalde tijd?

23 Zo hebben Wij bepaald. Hoe voortreffelijk zijn Wij in het bepalen!

24 Wee op die Dag degenen die loochenen!

25 Hebben Wij de aarde niet gemaakt om

26 De levenden en de doden te kunnen bevatten?

27 En hebben Wij er geen hoge bergen op geplaatst en u zoet (zuiver) water gegeven om te drinken.

28 Wee op die Dag degenen die loochenen.

29 Men zal zeggen: “Gaat naar (de straf) welke gij loochendet.

30 Begeeft u tot een schaduw van drie takken, 1372

31 Die geen koelte geeft, noch beschermt tegen de vlam.”

32 Ziet! Het (Vuur der hel) gooit vonken op als kastelen.

33 Alsof zij kamelen van een gele kleur waren.

34 Wee op die Dag degenen die loochenen!

——————————————————————————————————————————————————————————

1371 Er wordt tegen de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.) gezegd, dat zij overwegen moeten, hoe de waarheid door de vroegere profeten werd verspreid. In het eerste vers wordt er van hen melding gemaakt als degenen die met goedheid gezonden zijn; in het tweede als degenen die het kaf van de valsheid verdrijven; in het derde als degenen die het zaad der goedheid wijd en zijd verspreiden of leven aan de dode aarde geven; in het vierde als degenen die ten slotte een onderscheiding tot stand brengen tussen de waarheid en de valsheid en als degenen die de herrinnering geven, opdat de ene partij gezuiverd en de andere gewaarschuwd zal worden.

1372. Met de drie takken der bedekking van vuur worden hoogstwaarschijnlijk de in de daarop volgende verzen vermelde kenmerken bedoeld. nl. dat zij geen schaduw geven en niets tegen de vlammen baten en zelf vonken afschieten. De vonken worden vergeleken bij qasr, d.i. paleizen, en bij geelbruine kemels; dit betekent, dat de buitensporige liefde voor deze dingen ten dage der opstanding de gedaante van zulke vonken zullen aannemen.

35 Dit is een Dag waarop zij (de schuldigen) niet mogen spreken,

36 Noch zal hun worden toegestaan verontschuldigingen aan te bieden.

37 Wee op die Dag degenen die loochenen.

38 Dit is de Dag der beslissing; Wij hebben u en degenen die vroeger leefden bijeengebracht.

39 Indien gij nu enig plan hebt, gebruikt het dan tegen Mij.

40 Wee op die Dag degenen die loochenen!

Paragraaf. 2 Gevolgen van het verwerpen.

41 De godvruchtigen zullen te midden van schaduwen en bronnen wonen,

42 En fruit ontvangen, zoals zij zich mogen wensen.

43 (Men zal zeggen): “Eet en drinkt met smaak als beloning voor hetgeen gij placht te doen.”

44 Voorwaar, zo belonen Wij degenen die goed doen.

45 Wee op die Dag degenen die loochenen.

46 “Eet en vermaakt u een poosje (in dit leven). Voorzeker, gij zijt de schuldigen.”

47 Wee op die Dag degenen die loochenen.

48 En als er tot hen wordt gezegd: “Buigt u neder!” dan buigen zij zich niet.

49 Wee op die Dag degenen die loochenen.

50 In welk woord buiten dit zullen zij dan geloven?