Hoofdstuk 10 JOENOES: (Jona)

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 11 paragrafen, 109 verzen

Alles wat in dit hoofdstuk gezegd wordt over Jona, naar wie het genoemd is, is een bijkomstige verwijzing naar zijn volk dat zijn voordeel deed met de waarschuwing. Het hoofdstuk bevat meer gedetailleerde verwijzingen naar Noach en Mozes. De keuze van de naam van Jona voor de titel lijkt echter te zinspelen op het feit dat, zoals het volk van Jona zijn voordeel deed met zijn waarschuwing, ook de Arabieren uiteindelijk in de Profeet (s.a.w.) zouden geloven.

Hoewel dit hoofdstuk de waarheid van de openbaring benadrukt, is zijn belanrijkste kenmerk dat het ook nadruk legt op de barmhartige behandeling van de mensheid door het Goddelijke Wezen. Het opent met een verklaring over de waarheridsgetrouwheid van de Goddelijke openbaring in de Heilige Qoer-ān. Dit is ook het onderwerp dat in de eerste twee paragrafen wordt besproken. De tweede paragraaf eindigt met een vraag van de ongelovigen naar een teken, en hen wordt verteld dat het oordeel voor korte tijd zal worden uitgesteld. De reden voor dit uitstel wordt in de derde paragraaf gegeven. Daar wordt aangegeven dat de Goddelijke behandeling van de mensen gekarakteriseerd wordt door genade en dat Hij daarom de straf niet bespoedigt. De vierde paragraaf vertelt ons dat er in de natuur bewijs van Zijn genade bestaat, want Hij schenkt giften die niemand anders bij machte is te schenken. Zijn materiële giften worden gekenmerkt door het feit dat zij uniek zijn, en dit geldt ook voor Zijn gift van de openbaring. Een soortgelijke gift kan door niemand anders worden gedaan. De vijfde paragraaf stelt dat de verworpenen uiteindelijk hun bestraffing moeten ondergaan, terwijl de zesde weer de aandacht vraagt voor het overwicht van de eigenschap genade in het Goddelijke Wezen. De zevende vergelijkt de gelovigen met de ongelovigen. De achtste en negende paragraaf refereren kort aan de geschiedenissen van Noach en Mozes. De tiende stelt, door een korte zinspeling op Jona, dat degenen die de waarschuwing in acht nemen zullen profetiren. De laatste paragraaf toont aan dat al het goede in handen is van het Goddelijke Wezen. De mens moet zich dus tot Hem wenden.

Dit is het eerste hoofdstuk van de alif lām rā-groep en het behoort tot de laatste Makkah-periode; zie 1a.

——————————————————————————————————————————————————————————

PARAGRAAF 1: De waarheid van de openbaring

 

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

1 ‘Alif, Laaam, Raa. Tilka ‘Aa-yaatul-Kitaabil-Hakiem.

1 Ik, Allāh, ben de Ziende.a Dit zijn de verzen van het Boek, vol van wijsheid.b

2 ‘A-kaana linaasi ‘adjaban ‘an ‘aw-haynaaa ‘ilaa radjulimminhum ‘an ‘anzi-rinnaasa wa basjsjiril-laziena ‘aamanoe ‘anna lahum qadama Sid-qin ‘inda Rabbi-him ? Qaalal-Kaafi-roena ‘inna haazaa lasaahirum-mubien !

2 Is het een wonder voor de mensen dat Wij aan een man uit hun midden hebben geopenbaard: Waarschuw de mensen en breng het goede nieuws aan degenen die geloven dat er voor hen vooruitgang in voortreffelijkheid is bij hun Heer?a De ongelovigen zeggen: Waarlijk is dit duidelijk een tovenaar.

3 ‘Inna Rabba-kumullaa-hullazie galaqas-samaa-waati wal-‘arda fie sittati ‘ayyaa-min-summas-tawaa ‘alal-‘Arsji yudab-birul-amr. Maa minsjafi-‘in ‘illaa mim-ba’di ‘idnih. Zaali-kumullaahu Rabbukum fa’-budoeh: ‘afalaa tazak-karoen ?

3 Waalijk is jullie Heer Allāh, Die de hemelen en de aarde schiep in zes perioden, en Hij is gevestigd op de Troon van Macht en stuurt de Zaak.a Er is geen bemiddelaar behalve na Zijn toestemming. Dit is Allāh, jullie Heer, dien Hem daarom. Willen jullie je niet in acht nemen?

4 ‘Ilay-hi-mardji-‘ukum djamie-‘aa, Wa’-dallaahi haqqaa. ‘Innahoe yabda-‘ul-Galqa summa yu-‘ieduhoe li-yadjdi-yallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati bil-qist; wallaziena kafaroe lahum sjaraabum-min-hamie-minwwa ‘azaabun ‘aliemum-bimaa kaanoe yak-furoen.

4 Tot Hem is jullie terugkeer, van (jullie) allemaal. Het is de belofte van Allāh (gemaakt) naar waarheid. Waarlijk brengt Hij de eerste schepping voort, dan reproduceert Hij deze, opdat Hij op rechtvaardige wijze degenen kan belonen die geloven en goeddoen. En wat betreft degenen die niet geloven, voor hen is er een drank van heet water en een pijnlijke straf omdat zij niet geloofden.

5 Hu-wallazie dja-‘alasj-sjamsa di-yaaa-‘anwwal-qamara noeranwwa qadda-rahoe manaazila lita’-lamoe ‘ada-dassinienaa wal-hisaab. Maa galaqal-laahu zaalika ‘illaa bilhaqq. Yufassi-lul-Aayaati li-qaw-minyya’-lamoen.

5 Hij is het Die de zon tot een stralende helderheid maakte, en de maan een licht,a en haar fasen voorschreef zodat jullie de berekening van de jaren zouden kennen, en de afrekening. Allāh schiep dit naar niets dan naar waarheid. Hij maakt de tekenen duidelijk voor een volk dat weet.a

6 ‘Inna fig-tilaafil-layli wannahaa-ri wa maa gala-qallaahu fis-samaa-waati wal-‘ard la-‘Aayaatil-li-qaw-minyyatta-qoen.

6 Er schuilen immers tekenen in de afwisseling van nacht en dag, en in wat Allāh heeft geschapen in de hemelen en op aarde, voor een volk dat aan zijn plicht voldoet.

7 ‘Innal-laziena laa yar-djoena liqaaa-‘anaa wa radoe bil-Hayaatid-dunyaa watma-‘annoe bihaa walla-ziena hum ‘an ‘Aayaa-tinaa ghaafi-loen,-

7 Degenen die de ontmoeting met Ons niet verwachten, en die tevreden zijn met dit wereldse leven en er genoeg aan hebben, en degenen die Onze boodschap niet in acht nemen –

8 ‘Ulaaa-’ika ma’ waa-humun-Naaroe bimaa kaanoe yak-siboen.

8 Dezen, hun verblijf is het Vuur om wat zij verdienden.

9 ‘Innal-laziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saali-haati yahdie-him Rabbu-hum-bi-‘iemaanihim : tadjrie min-tahtihimul-‘anhaaru fie Djannaatinna-‘iem.

9 Degenen die geloven en goeddoen, hun Heer geeft hen leiding aan de hand van hun geloof;a rivieren zullen onder hen stromen in de Tuinen van gelukzaligheid.

10 Da’-waa-hum fiehaa Subhaana-kallaa-humma wa tahiyya-tuhum fiehaa Salaam ! Wa ‘aagiru da’-waa hum ‘anil-Hamdu lillaahi Rabbil-‘aalamien !

10 Hun roep hierin zal zijn: Glorie aan U, o Allāh! en hun groet Vrede! En als laatste zullen zij roepen: Geprzen zij Allāh, de Heer van de werelden!a

——————————————————————————————————————————————————————————

1a. Alif, lām, rā zijn de drie letters die aan het begin van dit hoofdstuk staan en aan dat van vier andere hoofdstukken, nl. het 11e, 12e, 14e en 15e. In het 13e hoofdstuk staat alif, lām, mim, rā. De afkorting stamt van dezelfde vorm als alif, lām, mim (zie 2:1a), behalve dat rā voor Ra’i staat, d.w.z. de Ziende, of arā, d.w.z. ik zie.

Hoofdstukken 10 tot en met 16 vormen een groep van zeven hoofdstukken die, met uitzondering van de laatste, allemaal beginnen met de afkorting alif, lām, rā. Daarom worden zij ook wel de alif-lām-rāgroep genoemd. Ze behoren allemaal tot de laatste Makkah-periode, de laatste vier jaar van het leven van de Profeet (s.a.w.) in Makkah. Zij gaan over de waarheidsgetrouwheid van het profeetschap, en bevatten soms meer en soms minder verwijzingen naar de geschiedenissen van eerdere profeten. Vier van deze hoofdstukken zijn ook genoemd naar een profeet.

1b. De kitāb, of de Qoer-ān, wordt hakim genoemd, wijs of vol van wijsheid. Hij wordt zo genoemd, ofwel omdat hij wijsheid bezit, d.w.z. de eigenschap die onderscheid maakt tussen waarheid en leugen en goed en slecht, ofwel omdat hij moehkam is, d.w.z. vrij van alle ongerijmdheid of ondeugdelijkheid, of omdat hij beide eigenschappen bezit (R).

2a. Qadam betekent voet, ook een ander voorgaan met betrekking tot tijd of gradatie. Sidq is waarheid in woord of daad, en iedere uitmuntende daad wordt sidq genoem (R). Volgens dezelfde deskundige betekent qadama sidq-in voorwaarts gaan of groei in uitmuntendheid. Het kan ook vertaald worden als vaste voet aan de grond hebben.

3a. Zie 7:54a voor de schepping in zes perioden, en zie 7:54b voor ‘arsj. In het sturen van de Zaak schuilt een verdere verwijzing naar de geestelijke ontwikkeling van de mens. Elders wordt dit nog duidelijker gesteld: “Hij verordent de Zaak van de hemel tot de aarde” (32:5). Zie 32:5a, waar wordt aangetoond dat al-amr eigenlijk de Zaak van de Islām betekent, die volgens het Goddelijke plan nu op aarde werd gevestigd. Zie 2:48b voor bemiddeling.

5a. Dau’ of dijā’ betekent dat licht dat uit zichzelf blijft bestaan, en noer betekent dat wat bestaat door iets anders (LL). De maan wordt noer genoemd, omdat haar licht geleend wordt, in tegenstelling tot de zon, die dijā’ genoemd wordt.

5b. De gehele schepping is, ondanks haar verscheidenheid, onderworpen aan één wet, en getuigt duidelijk van de eenheid van haar Maker. Net zoals het zichtbare universum onderworpen is aan een wet, is er ook in de geestelijke wereld één wet in werking.

9a. Het licht van het geloof, wat ook hier een leidend principe is voor de daden van de mens, zal in het leven na de dood een meer tastbare vorm aannemen. Vergelijk 57:12, waar het het licht dat voor hen uitgaat of glanzend voor hen uitstraalt wordt genoemd.

10a. Dit is het moeslimparadijs. Deze beschrijving volstaat om degenen die zeggen dat het beeld van het moeslimparadijs in de Makkah-openbaring gekarakteriseerd wordt door sensualiteit, te beschuldigen van een leugen.

PARAGRAAF 2: Straf voor afwijzing

11 Wa law yu-‘adjdji-lullaahu linnaa-sisj-sjarras-ti’-djaalahumbil-gayri laqu-ziya ‘ilay-him ‘adjalu-hum. Fanaza-rulla-ziena laa yardjoena liqaaa-‘anaa fie tughyaa-nihim ya’-mahoen.

11 En als Allāh (de gevolgen van) het kwaad voor de mensen zou bespoedigen, zoals zij het goede zouden willen bespoedigen, dan zou hun ondergang zeker over hen zijn afgeroepen. Maar degenen die geen hoop hebben Ons te ontmoeten, laten Wij alleen in hun onmatigheid, terwijl zij blind verder dwalen.a

12 Wa ‘izaa massal-‘insaanazzurru da-‘aanaa lidjam-bihie ‘aw qaa-‘idan ‘aw qaaa-‘imaa. Falammaa kasjafnaa ‘anhu zurrahoe marra ka-‘allam yad-‘unnaaa ‘ilaa zurrim-massah ! Kazaalika zuyyi-na lil-musrifiena maa kaanoe ya’-maloen !

12 En wanneer een mens geraakt wordt door het onheil, roept hij Ons aan, of hij nu op zijn zij ligt, of zit, of staat; maar wanneer Wij het onheil van hem afwenden, gaat hij door alsof hij Ons nooit had aangeroepen voor het onheil dat hem raakte. Zo wordt ervoor gezorgd dat wat de buitensporigen doen, hen fraai toeschijnt.

13 Wa laqad ‘ahlaknal-quroena min-qabli-kum lammaa zalamoe wa djaa-‘at-hum rusuluhum-bil- Bayyi -naati wa maa kaanoe li-yu’-minoe ! kazaalika nadjzil-qawmal-mudjri-mien !

13 En waarlijk verrnietigden Wij generaties vóór jullie toen zij kwaad deden. En hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen, en toch wilden zij niet geloven. Zo belonen Wij de schuldige mensen.

14 Summa dja-‘alnaakum galaaa-‘ifa fil-‘ardi mim-ba’-dihim linanzura kayfa ta’-maloen !

14 Toen maakten Wij jullie regeerders in het land na hen, zodat Wij zouden kunnen zien hoe jullie handelen.

15 Wa ‘izaa tutlaa ‘alayhim ‘Aayaa-tunaa Bayyi-naatin-qalal-laziena laa yardoena liqaaa-‘ana’ti bi-Qur-‘aanin ghairi haazaaa ‘aw bad-dilh. Qul maa ya-koenu lie ‘an ‘ubaddi-lahoe min-tilqaaa-‘i nafsie: ‘in ‘attabi-‘u ‘illaa maa yoe-haaa ‘ilayy: ‘innie ‘agaafu ‘in ‘a-saytu Rabbie ‘Azaaba Yawmin ‘Aziem.

15 En wanneer Onze duidelijke boodschap aan hen wordt voorgedragen, zeggen degenen die geen hoop hebben Ons te ontmoeten: Breng een andere Qoer-ān dan deze of verander hem.a Zeg: Het is niet aan mij het uit eigen beweging te veranderen. Ik volg niets anders dan wat aan mij is geopenbaard. En zeker vrees ik, als ik ongehoorzaam ben aan mijn Heer, de straf van een verschrikkelijke dag.b

16 Qul-law sjaaa-‘allaahu maa talaw-tuhoe ‘alaykum wa laaa ‘adraa-kum-bih. Faqad la-bistu fiekum ‘umuram-min-qab-lih : ‘afalaa ta’qiloen ?

16 Zeg: Als Allāh het had gewild, had ik het niet aan jullie voorgedragen, noch had Hij het aan jullie kenbaar gemaakt. Ik heb hiervóór een leven lang in jullie midden geleefd. Begrijpen jullie het dan niet?a

17 Faman ‘azlamu mimmaniftaraa ‘alallaahi kaziban aw kazzaba bi-‘Aayaa-tih. ‘Innahoe laa yuflhul-mudjri-moen.

17 Wie is er onrechtvaardiger dan degene die een leugen verzint tegen Allāh of die Zijn boodschap een leugen noemt? De schuldigen hebben immers nooit succes.

18 Wa ya’-budoena min-doenillaahi maa laa yazurruhum wa laa yanfa-‘uhum wa yaqoeloena haaa-‘ulaaa-‘i sjufa-‘aaa-‘unaa ‘indallaah. Qul ‘atu-nabbi-‘oenal-laaha bimaa laa ya’lamu fissa-maa-waati wa laa fil-‘ard ? Subhaa-nahoe wa Ta-‘aalaa ‘ammaa yusjrikoen !

18 En buiten Allāh dienen zij wat hen niet kan schaden en waar zij ook geen baat bij zullen hebben, en zij zeggen: Dit zijn onze bemiddelaars bij Allāh. Zeg: Willen jullie Allāh inlichten over iets waar Hij niet van op de hoogte is in de hemelen en op aarde? Glorie is aan Hem, en hoog verheven is Hij boven wat zij (naast Hem) oprichten!

19 Wa maa kaanan-naasu ‘illaaa ‘umma-tanwwaa-hidatan-fag-talafoe. Wa law laa kalima-tun sabaqat mir-Rabbika laqu-ziya bay-nahum fiemaa fiehi yag-talifoen.

19 En (alle) mensen vormen slechts één natie, en dan verschillen zij van mening. En was er niet reeds een woord uitgegaan van jouw Heer, dan was hetgeen waarover zij van mening verschillen zeker tussen hen beslist.a

20 Wa yaqoe-loena law laaa ‘unzila ‘alayhi ‘Aayatum-mir-Rabbih ? Faqul-‘innamal-Ghaybu lillaahi fantaziroe : ‘innie ma-‘akum-minal-munta-zirien.

20 En zij zeggen: Waarom wordt hem geen teken gestuurd door zijn Heer? Zeg: Het ongeziene is slechts voor Allāh, dus wacht; ik ook immers, behoor met jullie tot degenen die wachten.a

——————————————————————————————————————————————————————————

11a. Adjal (vertaald met ondergang) betekent de termijn van een volk, het uitstel dat hen gegund is. Het betekent echter ook dood, omdat de dood de termijn van het leven tot een einde brengt (R). Mensen verlangen en bidden dat goede dingen spoedig tot hen zullen komen, en deze worden dan ook bespoedigd. In Zijn genadige behandeling van de mensheid, bespoedigt Allāh de gelovigen van het kwade echter niet, zodat zij berouw kan tonen en aan de gevolgen van het kwade kan ontsnappen.

15a. De woorden toenen aan hoe trouw aan openbaring de Profeet (s.a.w.) zelf was, door ieder van haar voorschriften in praktijk te brengen.

16a. De oprechtheid en eerlijkheid van de Profeet (s.a.w.) vóór hij de Goddelijke openbaring ontving, waren onbetwist. Deze eigenschappen hadden hem zo’n faam verleend, dat hij in het land bekendstond als al-Amin, d.w.z. de Betrouwbare, of de Waarheidlievende. Het argument hier luidt: waarom zou hij op latere leeftijd, zijn jeugd en passies voorbij, leugens vertellen in zijn eigen nadeel, terwijl hij, zoals zij zelf toegaven, nog nooit in zijn leven één leugen had geuit, zelfs niet om er persoonlijk voordeel mee te behalen? Hij won er niets bij. Sterker nog, hij verloor, want zijn prediking bracht hem slechts vervolging. Bovendien kan men zich van een man die zo lang geen interesse had getoond in de levens en de religieuze gewoontes van zijn volk, een man die slechts het stille leven van een kluizenaar onder hen had geleefd, niet voorstellen dat hij plotseling de loop van zijn leven zo zou veranderen.

19a. Naar het woord dat is uitgegaan wordt op vele plaatsen verwezen: “En zij zeggen: Wanneer zal deze belofte worden volbracht, als jullie de waarheid spreken? Zeg: Misschien is een deel van wat jullie proberen te bespoedigen al nader tot jullie gekomen.” (27: 71, 72). En nogmaals: “Zeg: Jullie hebben de vaststelling van een dag, die jullie met geen uur kunnen uitstellen, noch bespoedigen” (34:30; zie 34:30a.

20a. Uit de context wordt duidelijk dat hun vraag gericht is op de straf waarmee zij worden bedreigd. Zij zouden immers geen ander teken erkennen. Hen wordt verteld te wachten op het teken dat ongetwijfeld zou komen.

PARAGRAAF 3: Barmhartige behandeling

21 Wa-‘izaaa ‘azaq-nannaasa rahmatam-mim-ba’di zarraaa-‘a massat-hum ‘izaa lahum-makrun-fie ‘Aayaa-tinaa ! Qulil-laahu ‘asra-‘u makraa ! ‘inna rusulanaa yak-tuboena maa tam-kuroen !

21 En als Wij mensen van genade laten proeven nadat onheil hen geraakt heeft,a zie! Zij beramen plannen tegen Onze boodschap. Zeg: Allāh maakt Zijn plannen sneller. Onze boodschapper zullen zeker neerschrijven wat jullie beramen.

22 Hu-wallazie yu-sayyi-rukum fil-barri wal-bahr; hattaaa ‘izaa kuntum fil-fulk; wa djarayna bihim-bi-riehin-tayyi-batinwwa farihoe bihaa djaaa-‘athaa riehun ‘aasifunwwa djaaa-‘ahumul-mawdju min-kulli makaaninwwa zannoe ‘annahum ‘uhieta bihim da-‘a-wullaaha mug-lisiena lahud-Dien: la-‘in ‘andjayta- naa min haazihie lana-koenanna minasj-Sjaa-kirien !

22 Hij is het Die jullie doet reizen door het land en over de zee; totdat, wanneer jullie in de schepen zijn, en zij ermee voortvaren met een plezierige bries, en zij zich hierover verheugen, een geweldadige wind hen overvalt en zware golven aanzwellen rondom hen, en zij van oordeel zijn dat zij aan alle kanten omringd zijn. Dan bidden zij tot Allāh, terwijl zij oprecht zijn in hun gehoorzaamheid: Wanneer U ons hiervan verlost, zullen wij zeker tot de dankbaren behoren.

23 Falammaa ‘andjaahum ‘izaa hum yab-ghoena fil-‘ardi bi-ghayril-haqq ! Yaaa-‘ayyuhannaasu ‘in- namaa bagh-yukum ‘alaaa ‘anfusikummataa-‘al- Hayaa-tiddunyaa : summa ‘ilay-naa mardji-‘ukum fanu-nabbi-‘ukum-bimaa kuntum ta’-maloen.

23 Maar wanneer Hij hen verlost, zie! Zij zijn onterecht opstandig op aarde. O mensen, jullie opstand is tegen julliezelf – een voorziening (slechts) voor dit wereldse leven. Dan is jullie terugkeer tot Ons, dus zullen Wij jullie inlichten over wat jullie hebben gedaan.

24 ‘Innamaa Masalul-Hayaatiddunyaa kamaaa-‘in ‘anzalnaahu minas-samaaa-‘i fagtalta bihie nabaatul-‘ardi mimmaa ya’ku-lunnaasu wal-‘an ‘aam: hattaaa ‘izaaa ‘agazatil-‘ardu zug-rufahaa waz- zayya-nat wa zanna ‘ahluhaaa ‘annahum qaadi-roena ‘alayhaaa ‘ataa-haaa ‘amrunaa laylan ‘aw nahaa-ran fadja-‘alnaahaa hasiedan-ka-‘allam taghna bil-‘ams ! Kazaa-lika nufassilul-‘Aayaati li-qawminyyatafak-karoen.

24 De gelijkenis van dit wereldse leven is slechts als water dat Wij neerzenden uit de wolken, waardoor het groen op aarde, waarvan mensen en vee eten, uitbundig groeit; totdat, wanneer de aarde haar gouden gewaad aantrekt en zij versierd is, en haar mensen denken dat zij meester over haar zijn, Ons bevel tot haar komt, in de nacht of overdag, en Wij het maken tot gemaaid gewas, alsof het gisteren niet in bloei had gestaan. Zo maken Wij de boodschap duidelijk aan een volk dat nadenkt.

25 Wal-laahu yad-‘oe ‘ilaa Daaris-Salaam: wa yahdie manyya-sjaaa-‘u ‘ilaa Siraatim-Musta-qien.

25 En Allāh nodigt uit tot de woonplaats van vrede, en leidt wie het Hem behaagt op het rechte pad.a

26 Lilla-ziena ‘ahsanul-husnaa wa zi-yaadah ! Wa laa yar-haqu wudjoeha-hum qatarunw-wa laa zillah ! ‘Ulaaa-‘ika ‘As-haabul-Djannah; hum fiehaa gaali-doen.

26 Voor degenen die goeddoen is er (een) goede (beloning) en meer (dan dit). Duisternis noch schande zullen hun gezichten bedekken. Dit zijn de bezitters van de Tuin; daarin zullen zij verblijven.a

27 Wallaziena kasabus-sayyi-‘aati djazaaa-‘u sayyi-‘atimbimis-lihaa wa tarhaqu-hum zillah: maa lahum-minallaahi min ‘aasim: Ka-‘anna-maaa ‘ughsji-yat wudjoe-huhum qita-‘am-minal-layli muz-limaa : ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabun-Naari hum fiehaa gaa-lidoen !

27 En degenen die het kwaad verdienen, de straf voor een kwaad is gelijk daaraan, en vernedering zal hen bedekken – zij zullen niemand hebben om hen tegen Allāh te beschermen – alsof hun gezichten bedekt waren met schijven van het intense duister van de nacht. Dit zijn de gezellen van het Vuur; daarin zullen zij verblijven.

28 Wa yawma nah-sjuruhum djamie-‘an-summa naqoelu lillaziena ‘asjra-koe makaa-nakum ‘antum wa sjura-kaaa-‘ukum. Fa-zayyalnaa bay-nahum wa qaala sjura kaaa-‘uhum-maa kuntum ‘iyyaa-naa ta’-budoen !

28 En op de dag dat Wij hen allen samenbrengen, dan zullen Wij tegen degenen die anderen gelijkstelden (aan Allāh) zeggen: Blijf waar jullie zijn, jullie en jullie afgoden. Dan zullen Wij hen van elkaar scheiden, en hun afgoden zullen zeggen: Ons hebben jullie niet gediend.

29 Fakafaa billaahi sjahiedam-bayna-naa wa bayna-kum ‘in-kunnaa ‘an ‘ibaada-tikum laghaa-filien !

29 Dus Allāh is voldoende als getuige tussen ons en jullie, dat wij ons er in het geheel niet bewust van waren dat jullie (ons) dienden.

30 Hunaa-lika tabloe kullu nafsim-maaa ‘aslafat wa ruddoe ‘ilal-laahi Maw-laa-humul-Haqqi wa zalla ‘anhummaa kaanoe yaf-taroen.

30 Daar zal iedere ziel bekend raken met wat zij eerder heeft gestuurd, en zij zullen worden teruggebracht tot Allāh, hun ware Beschermheer, en wat zij beraamden zal hen ontsnappen.

——————————————————————————————————————————————————————————

21a. Sommigen denken dat er hier verwezen wordt naar de schaarste in Makkah die zeven jaar aanhield (Rz). Zie 44:10a voor de schaarste zelf. De stelling hier, is waarschijnlijk slechts een beschrijving van algemeen onheil dat de mens kan overkomen, waarvan in het volgende vers een voorbeeld wordt gegeven.

25a. Dit is een andere beschrijving van het moeslimparadijs, wat dār al-salām genoemd wordt, of de woonplaats van de vrede. Het woord salām in dār al-salām komt van dezelfde stam als Islām. De Islām maakt in feite zelfs deze wereld tot een verblijf van vrede voor de ware noeslim; hij sluit vrede met zijn Heer, en leeft in vrede met zijn medemensen. De vrede van het volgende leven is in feite een voortzetting van de gemoedsrust die een moeslim in dit leven vindt.

26a. Overal in de Heilige Qoer-ān wordt over de beloning van deugd gezegd, dat deze veel groter zal zijn dan een beloning die gelijkwaardig is aan de goede daden die zijn begaan. Over zonde wordt echter gezegd dat het ofwel vergeven wordt, ofwel dat het met slechts een vergelijkbare straf bestraft wordt. Zo staat in 42:25 en 26: “En Hij is het Die berouw aanvaardt van Zijn dienaren en Die kwade daden vergeeft, en Hij weet wat jullie doen; en Hij verhoort degenen die geloven en goede daden doen, en geeft hen meer uit Zijn goedgunstigheid.” En in 6:160: “Wie een goede daad brengt, zal het tienvoudige daarvan hebben, en wie een kwade daad brengt, zal slechts worden vergolden met het gelijke daarvan”; zie 6:160a.

PARAGRAAF 4: Uniekheid van Goddelijke giften

31 Qul manyyar-zuqukumminas-samaaa-‘i wal-‘ardi ‘ammanyyam-likus-sam-‘a wal-‘absaara wa manyyug-ridjul-hayya minal-may-yiti wa yugriedjul-may-yta minal-hayyi wa manyyu-dabbirul-‘amr ? Fasaya-qoeloe-nallaah. Faqul ‘afalaa tatta-qoen ?

31 Zeg: Wie geeft jullie onderhoud uit de hemel en de aarde, of wie beheert het gehoor en het zicht, en wie brengt het levende voort uit het dode, en brengt het dode voort uit het levende? En wie bestuurt de gebeurtenissen? Zij zullen zeggen: Allāh. Zeg: dan: Willen jullie je dan niet hoeden voor het kwaad?

32 Fazaa-likumul-laahu Rabbukumul-Haqq: famaa zaa ba’-dal-Haqqi ‘illaz-zalaal ? Fa-‘annaa tus-rafoen ?

32 Dan dat is Allāh, jullie ware Heer. En wat komt er na de waarheid anders dan dwaling? Hoe zijn jullie dan afgedwaald!

33 Kazaa-lika haqqat Kalimatu Rabbika ‘alal-laziena fasaqoe ‘annahum laa yu’mi-noen.

33 Zo blijkt de waarheid van het woord van jouw Heer wat betreft degenen die overtreden, dat zij niet geloven.a

34 Qul hal min-sjura-kaaa-‘ikum manyyabda-‘ul-galqa summa yu-‘ieduh ? Qulillaahu yabda-‘ul-galqa summa yu-‘ieduhoe fa-‘annaa tu’-fakoen ?

34 Zeg: Is er één onder jullie afgoden die de eerste schepping voortbrengt, en deze dan reproduceert? Zeg: Allāh brengt de eerste schepping voort, en dan reproduceert Hij deze. Hoe zijn jullie dan afgewend!

35 Qul hal min-sjura-kaa-‘ikum-manyyahdie ‘ilal-Haqq ? Qulil-laahu yahdie lil-Haqq. ‘Afa-manyyahdie ‘ilal-Haqqi ‘ahaqqu ‘anyut-taba-‘a ‘ammallaa yahiddie ‘illaa ‘anyyuhdaa ? Famaa lakum ? Kayfa tahku- moen ?

35 Zeg: Is er één van jullie afgoden die leidt tot de Waarheid? Zeg: Allāh leidt tot de Waarheid. Is Degene Die naar de Waarheid leidt het meer waard gevolgd te worden, of degene die de weg niet kan vinden tenzij hij geleid wordt? Wat is er met jullie aan de hand? Hoe oordelen jullie?

36 Wa maa yattabi-‘u ‘ak-saruhum ‘illaa zannaa : ‘innazzanna laa yughnie minal-Haqqi sjay-‘aa. ‘Innallaaha ‘Alimum-bimaa yaf-‘aloen.

36 En de meesten van hen volgen niets anders dan een vermoeden. En een vermoeden haalt immers niets uit tegen de Waarheid. Waarlijk Allāh de Weter van wat zij doen.

37 Wa maa kaana haazal-Qur-‘aanu ‘anyyuf-taraa min-doenillaahi wa laakin-tasdie-qallazie bayna ya-dayhi wa tafsie-lal-Kitaabi laa ray-ba fiehi mir-Rabbil-‘Aala-mien.

37 En deze Qoer-ān is niet gelijk aan wat verzonnen zou kunnen worden door degenen buiten Allāh, maar het is een bevestiging van hetgeen ervoor is, en een duidelijke uitleg van het Boek, daaraan is geen twijfel, van de Heer van de werelden.a

38 ‘Am yaqoeloenaf-taraah ? Qul fa’toe bi-soeratim-mislihie wad-‘oe manis-tata’–tum-mindoenillaahi ‘in-kuntum Saadiqien !

38 Of zeggen zei: Hij heeft het verzonnen? Zeg: Breng dan een hoofdstuk dat er gelijk aan is en nodig uit wie je kan buiten Allāh, als jullie de waarheid spreken.

39 Bal kazzaboe bimaa lam yu-hietoe bi-‘ilmi-hie wa lammaa ya’ti-him ta wieluh : Kazaa-lika kazza-ballaziena minqab-lihim fanzur kayfa kaana ‘aaqi-batuz-zaali-mien !

39 Nee, zij verwerpen datgene waarvan zij de kennis niet kunnen bevatten en waarvan het uiteindelijke gevolg nog niet tot hen is gekomen.a Op gelijke wijze verwierpen degenen vóór hen; zie dan, wat het eind was van de kwaaddoeners.

40 Wa minhum-manyyu’-minu bihie wa minhum-mallaa yu’-minu bih: wa Rabbuka ‘a’-lamu bil-muf-sidien.

40 En onder hen is degene die erin gelooft, en onder hen is degene die er niet in gelooft. En jouw Heer kent de onruststokers het best.

——————————————————————————————————————————————————————————

33a. Het woord verwijst naar de veroordeling die plaats moet vinden omdat zij niet geloven, of naar het feit dat hun ongeloof een resultaat is van hun zonde.

37a. De Qoer-ān legt in heldere bewoordingen veel van de belangrijkste religieuze grondbeginselen uit die in de voorgaande boeken meerduidig of onduidelijk waren. De Bijbel is bijvoorbeeld onduidelijk over het belangrijke grondbeginsel van opstanding of leven na de dood. Jezus zelf moest zijn toevlucht nemen tot een discussie, in plaats van een hoofdstuk en vers te citeren toen hij ondervraagd werd door de Sadduceeёrs (Matt. 22:23, enz.). Op dezelfde manier worden ook de eigenschappen van het Goddelijke Wezen niet in heldere woorden uitgelegd, en het resultaat is de leer van de Goddelijkheid van Jezus Christus. De Qoer-ān legt al dergelijke punten volledig uit een beantwoordt uiteindelijk al deze vragen.

39a. Zie 4:59b voor de twee betekenissen van ta‘wil. Met het uiteindelijke resultaat wordt het gevolg van de afwijzing van de Waarheid bedoeld. Dit wordt duidelijk uit wat gezegd wordt in 7:53: “Wachten zij op iets anders dan op het uiteindelijke gevolg ervan? Op de dag dat het uiteindelijke gevolg ervan komt, zullen degenen die haar eerder negeerden zeggen … Zijn er bemiddelaars voor ons, zodat zij voor ons kunnen bemiddelen?”

 

PARAGRAAF 5: De goddelozen en hun straf

41 Wa ‘in-kazza-boeka faqullie ‘amalie wa lakum ‘amalukum ! ‘Antum-barie-‘oena mimmaaa ‘a’-malu wa ‘ana barie-‘um-mimmaa ta’-maloen !

41 En wanneer zij jou afwijzen, zeg: Mijn werk is voor mij en jullie werk voor jullie. Jullie zijn vrij van wat ik doe en ik ben vrij van wat jullie doen.

42 Wa minhum-many-yas-tami-‘oena ‘ilayk: ‘afa-‘anta tusmi-‘us-summa wa law kaanoe laa ya’qiloen ?

42 En onder hen is er een aantal dat naar jou luistert. Maar kan jij de doven laten horen, hoewel zij niet willen begrijpen?

43 Wa minhum-many-yanzuru ‘ilayk : ‘afa-‘anta tahdil-‘umya wa law kaanoe laa yubsiroen ?

43 En onder hen is er een aantal dat naar jou kijkt. Maar kan jij de blinden de weg wijzen, hoewel zij niet willen zien?a

44 ‘Innallaaha laa yazlimunnaasa sjay-‘anwwa-laa-kinnannaasa ‘anfusahum yaz-limoen.

44 Allāh doet zeker niemand onrecht aan, maar de mensen doen zichzelf onrecht aan.

45 Wa yawma yah-sjuruhum ka-‘allam yal-basoe ‘illaa saa-‘atam-minan-nahaari yata-‘aara-foena bay-nahum. Qad gasi-ralla-ziena kazzaboe biliqaaa-‘illaahi wa maa kaanoe muh-tadien.

45 En op de dag dat Hij hen zal samenbrengen alsof zij niet langer waren gebleven dan een uur uit een dag, zullen zij elkaar herkennen.a Degenen die de ontmoeting met Allāh afwijzen gaan waarlijk ten onder, en zij volgen niet de juiste weg.

46 Wa ‘imma nuri-yannaka ba’-zallazie na-‘iduhum ‘aw nata-waffa-yannaka fa-‘ilay-naa mardji-‘uhum summallaahu sjahie-dun ‘alaa maa yaf-‘aloen.

46 En of Wij jou iets laten zien van wat Wij beloven, of jou doen sterven, hun terugkeer is toch tot Ons, en Allāh is Getuige van wat zij doen.

47 Wa li-kulli ‘umma-tir-Rasoel: fa-‘izaa djaaa-‘a Rasoeluhum quzi-ya bay-nahum-bilqisti wa hum laa yuz-lamoen.

47 En voor ieder natie is er een boodschapper.a Dus wanneer hun boodschapper komt, wordt de zaak op rechtvaardige wijze tussen hen beslist en hen wordt geen onrecht aangedaan.b

48 Wa yaqoe-loena mataa haazal-wa’du ‘in-kuntum saadi-qien.

48 En zij zeggen: Wanneer zal deze belofte worden vervuld, als jij de waarheid spreekt?

49 Qul-laaa ‘amliku linaf-sie zarranwwa laa naf-‘an ‘illaa maa sjaaa-‘allaah. Li-kulli ‘Ummatin ‘adjal : ‘izaa djaaa-‘a ‘adjaluhum falaa yasta’-gireoena saa-‘atanwwa laa yas-taqdi-moen.

49 Zeg: Ik heb zelf geen controle over enig nadeel of enig voordeel, behalve wat Allāh behaagt.a Iedere natie heeft een termijn. Wanneer hun termijn nadert, kunnen zij het nog geen uur uitstellen, noch kunnen zij (hun tijd) vervroegen.b

50 Qul ‘ara-‘aytum ‘in ‘ataakum ‘azaa-buhoe ba-yaatanaw ‘wa nahaa-ram-maa-zaa yasta’-djilu minhu l-mudjri-moen.

50 Zeg: Zien jullie het, wanneer Zijn straf jullie ’s nachts overvalt, of overdag? Wat hiervan is er dan, dat de schuldigen zouden willen bespoedigen?a

51 ‘A-summa ‘izaa maa waqa-‘a ‘aman-tum-bih ? ‘Aaal-‘aana wa qad kuntum-bihie tasta’-djiloen !

51 En wanneer het zover is, zullen jullie erin geloven? Wat! nu! en jullie hebben het bespoedigd.

52 Summa qiela lilla-ziena zalamoe zoeqoe ‘azaa-bal guld ! Hal tudj-zawna ‘illaa bimaa kuntum taksi-boen.

52 Dan zal er worden gezegd tegen degenen die onrechtvaardig waren: Proef de langdurige straf; jullie worden niet vergolden, behalve voor wat jullie hebben verdiend.

53 Wa yas-tambi-‘oenaka ‘ahaqqun hoe ? Qul ‘Ii wa Rabbie ‘innahoe la-haqq ? Wa maaa ‘antum-bi-mu’-djizien !

53 En zij vragen jou: Is dat waar? Zeg: Jazeker, bij mijn Heer! Het is zeker de Waarheid en jullie zullen niet ontsnappen.

——————————————————————————————————————————————————————————

43a. Vergelijk 7:179: “Zij hebben harten waarmee zij niet doorgronden, en zij hebben ogen waarmee zij niet zien, en zij hebben oren waarmee zij niet horen.”

45a. Zij zullen elkaar ofwel herkennen zoals zij waren in deze wereld, of sommigen van hen zullen de anderen herkennen die in ongeloof en dwaling bleven.

46a. De betekenis van de woorden “hun terugkeer is toch tot Ons” is dat degenen die gewaarschuwd zijn door Allāh, behandeld zullen worden zoals ze verdienen behandeld te worden. Deze waarschuwing zal waar blijken te zijn. In het eerste deel van het vers wordt hen verteld dat het niet aangaat of de Profeet (s.a.w.) leeft om hen niet eigen hand te straffen, of dat de straf door Allāh op een andere manier wordt voltrokken. Het vers legt daarom slechts nadruk op hun komende ondergang.

47a. Vergelijk 35:24: “En er is geen volk, of er is een waarschuwer in hun midden verschenen.” De mensheid zal altijd veel verschuldig zijn aan de Profeet (s.a.w.) voor dit brede humanitaire principe; zie 35:24a.

47b. De waarschuwing dat hun ondergang de tegenstanders uiteindelijk zou achterhalen, wordt met deze woorden bevestigd. Met “tussen hen” worden de Boodschapper en degenen die hem beschuldigen van leugens bedoeld; de zaak is tussen de preker en de afwijzers.

49a. Dit zijn niet de woorden die een oplichter zou uiten. De woorden zijn die van een eerlijk man die, zonder enige persoonlijke aanspraak voor te wenden, de waarheid in alle oprechtheid preekt. De Heilige Profeet (s.a.w.) wordt er herhaaldelijk toe gedwongen te ontkennen dat hij enige controle zou hebben over goed en kwaad, zodat hij zijn volgelingen niet bloot stelt aan verleiding. Waarheid moet om zichzelf geaccepteerd worden, niet vanwege enige hoop op werelds gewin of uit angst voor werelds verlies.

49b. Het vers leert geen fatalisme. Het legt een waarheid vast die geen historicus kan ontkennen. Aan elke natie wordt, net als aan ieder individu, een levensperiode toegekend, en naties leven en sterven net als individuen.

50a. De komst van de ondergang bij nacht of bij dag, duidt op het feit dat deze arriveert op een tijstip dat de mensen bezig zijn met hun pretmakerij of met hun zakentransacties, en dus absoluut geen aandacht schenken aan de werkelijke waarden in het leven. Er ligt een zachte vermaning besloten in de woorden: “Wat hiervan is er dan, dat de schuldigen zouden willen bespoedigen?” Het noodlot nadert; waarom dan zou een volk haar nadering bespoedigen door middel van hun schuld?

PARAGRAAF 6: Genade heeft voorrang boven straf

54 Wa law-‘anna li-kulli nafsin-zalamat maa fil-‘ardi laftadat bih : wa ‘asarrun-nadaamata lammaa ra-‘a-wul-‘azaab: wa quzi-ya bay-nahum-bil-qisti wa hum laa yuzla-moen.

54 En als iedere ziel die onrechtvaardig heeft gehandeld alles bezat wat er op aarde is, dan zou zij dit aanbieden als afkoopsom. En zij zullen openlijka spijt betuigen wanneer zij de straf zien. En er zal op rechtvaardige wijze tussen hen worden beslist, en hen zal geen onrecht worden aangedaan.

55 ‘Alaaa ‘inna lillaahi maa fis-samaa-waati wal-‘ard ? ‘Alaaa ‘inna wa-dallaahi haqqunwwa laa-kinna ‘ak-sarahum laa ya’-lamoen ?

55 Nu waarlijk is alles wat er in de hemelen en op aarde is van Allāh. En waarlijk is Allāh’s belofte waar, maar de meesten van hen weten niet.

56 Huwa yuh-yie wa yumietu wa ‘ilay-hi turdja-‘oen.

56 Hij geeft leven en veroorzaakt dood, en tot Hem zullen jullie worden teruggebracht.

57 Yaaa-‘ayu-hannaasu qad djaaa-‘at-kum-maw-‘izatummir-Rabbi-kum wa sjiefaaa-‘ullimaa fissu-doeri wa Hudanwwa Rahmatul-lil-Mu’-minien.

57 O mensen, er is inderdaad een vermaning van jullie Heer tot jullie gekomen, en een genezing voor wat er in de borsten is; en een leidraad en een genade voor de gelovigen.a

58 Qul bi Faz-lillaahi wa bi-Rahma-tihie fabi-zaalika falyaf-rahoen: huwa gayrummimmaa yadjma’oen.

58 Zeg: In de goedgunstigheid van Allāh en in Zijn genade, daarin zouden zij zich moeten verheugen. Het is beter dan hetgeen zij oppotten.a

59 Qul ‘ara-‘aytum-maaa ‘anzalal-laahu lakum-mir-rizqin-fadja-‘altum-minhu haraamanwwa halaa-laa. Qul ‘aallaahu ‘azina lakoem ‘am ‘alallaahie taftaroen ?

59 Zeg: Zien jullie wat Allāh voor jullie heeft neergestuurd aan onderhoud, dan maken jullie (een deel) ervan onwettig en (een deel) wettig. Zeg: Heeft Allāh jullie bevolen of verzinnen jullie een leugen tegen Allāh?a

60 Wa maa zannul-laziena yaf-taroena ‘alal-laahil-kaziba Yawmal-Qi-yaamah ? ‘Innallaaha la-Zoe- Fadlin ‘alan-naasi wa laa-kinna ‘aksa-rahum laa yasj-kuroen.

60 En wat denken degenen die leugen verzinnen tegen Allāh over de dag van de Opstanding? Allāh is zeker Goedgunstig voor de mensen, maar de meesten van hen zeggen geen dank.

——————————————————————————————————————————————————————————

54a. Asarra is een van die woorden die twee tegengestelde betekenissen hebben. Het betekent zowel hij verborg het als hij toonde het.

57a. Zij eisten keer op keer hun streaf op. Hen wordt echter verteld dat Allāh hen iets heeft gezonden waarin zij voor zichzelf genezing, leiding en genade kunnen vinden, nl. de Heilige Qoer-ān. Vergelijk 29:51, waar, in antwoord op een vraag om een teken dat hen zou vernietigen, de ongelovigen te horen krijgen: “Is het niet genoeg voor hen dat Wij aan jou het Boek hebben geopenbaard dat hen wordt voorgedragen? Waarlijk schuilt hierin genade en een herinnering voor een volk dat gelooft.”

58a. Mensen verzamelen rijkdom, maar hen wordt verteld dat de geestelijke waarden van het leven – de goedgunstigheid van Allāh en Zijn genade – veel beter zijn.

59a. Net zoals Allāh hen hun middelen voor lichamelijk onderhoud gaf, heeft Hij hun door middel van de openbaring ook Zijn gratie en genade gestuurd voor hun geestelijk welzijn. Toch beroven zij zichzelf van het geestelijke onderhoud alsof deze onwettig zou zijn. Het is ook mogelijk dat er wordt verwezen naar het feit dat zij bepaalde dingen voor zichzelf onwettig verklaarden uit respect voor hun afgoden.

 

PARAGRAAF 7: Goed nieuws voor de gelovigen

61 Wa maa takoenu fie sja’-ninwwa maa tatloe minhu min Qur-‘aaninwwa laa ta’-maloena min ‘amalin ‘illaa kunnaa ‘alay-kum Sjuhoe-dan ‘iz tufie-zoena fieh. Wa maa ya’-zubu ‘ar-Rabbika mim-misqaali zarratin-fil-‘ardi wa laa fissa-maaa-‘i wa laaa ‘as-ghara min-zaa-lika wa laaa ‘akbara ‘illaa fie kitaa-bim-Mubien.

61 En jij bent met geen enkele zaak (bezig) en jij kan geen enkel deel van de Qoer-ān hierover voordragen en jij verricht geen werk, of Wij zijn er Getuige van wanneer jij daarmee bezig bent. En nog niet het gewicht van een atoom in de hemel of op aarde is verborgen voor jouw Heer, noch iets kleiner dan dat of groter, maar het staat (allemaal) in een helder boek.a

62 ‘Alaaa ‘inna ‘Awli-yaaa-‘allaahi laa gaw-fun ‘alay-him wa laa hum yah-zanoen.

62 De vrienden van Allāh nu, kennen zeker geen vrees, noch treuren zija

63 ‘Allaziena ‘aamanoe wa kaanoe yatta-qoen;-

63 Degenen die geloven en aan hun plicht voldoen.

64 Lahumul-Busjraa fil-Hayaa-tiddunyaa wa fil-‘Aagirah: laa tabdiela li-Kalimaatillaah. Zaalika huwal – Fawzul-‘Aziem.

64 Voor hen is er goed nieuwsa in het leven in deze wereld en in het Hiernamaals. De woorden van Allāh kunnen niet veranderd worden.b Dat is de geweldige verrichting.

65 Wa laa yah-zunka qawlahum.’Innal-‘izzata lillaahi djamie-‘aa; Hu-was- Samie-‘ul-‘Aliem.

65 En laat hun woorden jou niet bedroeven. De macht behoort waarlijk geheel aan Allāh. Hij is Hoorder, de Weter.

66 ‘Alaaa ‘inna lillaahi manfissamaa-waati wa man-fil-‘ard. Wa maa yattabi-‘ullaziena yad-‘oena min-doenil-laahi sjura-kaaa’? ‘Inyyattabi-‘oena ‘illaz-zanna wa ‘in hum ‘illaa yag-rusoen.

66 Alles wat in de hemelen is en alles wat op aarde is, behoort immers Allāh toe.a En wat volgen degenen die afgoden aanroepen buiten Allāh? Zij volgen niets dan een vermoeden, en zij liegen slechts.

67 Hu-wallazie dja-‘ala lakumul-layla li-taskunoe fiehi wanna-haara mub-siraa. ‘Inna fie zaa-lika la- ‘Aayaatil-li-qawminyasma-‘oen.

67 Hij is het Die de nacht voor jullie maakte, opdat jullie daarin zouden kunnen rusten, en de dag die licht geeft. Hierin schuilen waarlijk tekenen voor een volk dat hoort.

68 Qaa-lutta-gazal-laahu wala-daa; Sub-haanah ! Huwal-Ghaniyy ! Lahoe maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ard ! ‘In ‘ida-kum-min-sul-taanim-bihaazaa ! ‘A-taqoeloena ‘alallaahi maa laa ta’-lamoen ?

68 Zij zeggen: Allāh heeft (Zichzelf) een zoon genomen. Glorie aan Hem! Hij is de Zelfgenoegzame. Van Hem is wat in de hemelen is en wat op aarde is. Jullie hebben hier geen gezag voor. Zeggen jullie iets ten nadele van Allāh waar jullie niets van weten?

69 Qul ‘innal-laziena yaf-taroena ‘alal-laahil-kaziba laa yuf-lihoen.

69 Zeg: Degenen die een leugen verzinnen tegen Allāh zullen niet slagen.

70 Mataa-‘un-fiddun-yaa summa ‘ilay-naa mardji-‘uhum summa nuzie-quhumul-‘Azaa-basjsjadieda bimaa kaanoe yak-furoen.

70 Een beetje plezier in deze wereld, dan keren zij terrug tot Ons, dan zullen Wij hen hevige straffen laten proeven omdat zij niet geloofden.

——————————————————————————————————————————————————————————

61a. Het heldere boek dat hier genoemd wordt is natuurlijk niet een verzameling van geschreven of gedrukte bladen die samengebonden zijn. Het is het boek van de Goddelijke wet die iedere daad, goed of slechts, groot of klein, haar beloning brengt. Dat er iets kan zijn dat kleiner is dan een atoom, is een van de geweldige wetenschappelijke openbaringen waar de Heilige Qoer-ān vol mee staat. In modern wetenschappelijk taalgebruik zou men zeggen: het atoom kan worden gesplitst.

62a. De vrienden van Allāh zijn degenen die de Goddelijke zaak helpen en die mensen uitnodigen tot het geloof in Allāh. Zij bereiken die geestelijke hoogte waar angst en leed onbekend zijn. Er schuilt hierin ook een profetie over de uiteindelijke overwinning van de Waarheid. Wanneer een mens zijn doel bereikt, is al zijn angst verdwenen en lijdt hij niet meer onder de opofferingen die hij zich getroost heeft. V. 64 maakt dit duidelijk.

64a. De Heilige Profeet (s.a.w.) zei: “Er is niets van het profeetschap overgebleven dan moebasjsjarāt.” Toen hem gevraagd werd wat hij bedoelde met moebasjsjarāt, antwoordde hij, “Goede visoenen” (B. 92:5). Elders wordt gezegd dat goede visioenen onderdeel uitmaken van het profeetschap (B. 92:4). Dit laat zien dat, zoals de profeten geïnformeerd werden over de zege van de Waarheid, ook hun volgelingen dit goede nieuws kregen in hun visioenen. De vaandeldragers van de Goddelijke zaak, zo wordt ons verteld, zullen niet alleen succes hebben – zij zullen ook het goede nieuws van hun uiteindelijke triomf ontvangen in de vorm van goede visioenen.

64b. De woorden van Allāh duidt hier op de profetieёn. Onmiddellijk voor deze woorden, wordt de profetie van de grootse beloning voor de gelovigen genoemd. De betekenis van het feit dat deze woorden niet zullen veranderen, is dat het profetische woord vervuld zal worden. Vergelijk soortgelijke woorden in 6:34, 115 en 18:27.

66a. In het voorgaande vers wordt de Profeet (s.a.w.) verteld dat hij niet moet treuren om wat de ongelovigen zeggen. “De macht behoort waarlijk geheel aan Allāh,” wordt hem verteld, en daarom kan geen kracht ter wereld de Goddelijke doelstelling verhinderen. Hetzelfde idee wordt hier uitgedrukt in de woorden “Alles wat in de hemelen is en alles wat op de aarde is, behoort immers Allāh toe.”

PARAGRAAF 8: Noach en Mozes

71 Wat-lu ‘alay-him naba-‘a Noeh. ‘Iz qaala li-qaw-mihie yaa- Qawmi ‘in-kaana babura ‘alay-kum-maqaa-mie wa tazkirie bi-‘Aayaa-tillaahi fa-‘alal-laahi ta-wakkal-tu fa-adjmi-‘oe ‘amrakum wa sjurakaaa-‘akum summa laa yakun ‘amrukum ‘alay-kum ghummatan-summaq-doe ‘ilay-ya wa laa tunzi-roen.

71 En draag hen het verhaal voor van Noach, toen hij tegen zijn volk zei: O mijn volk, als mijn verblijf (hier) en (het feit) dat ik (jullie) met de boodschap van Allāh herinner jullie moeilijk valt, op Allāh vertrouw ik; dus beslis wat jullie willen doen en (breng) jullie afgoden (bijeen). Laat er dan geen twijfel bestaan over wat jullie gaan doen, breng het dus tegen mij ten uitvoer, en verleen mij geen uitstel.a

72 Fa-‘in-tawallaytum famaa sa-‘altukum-min-‘ajr: ‘in ‘adjriya ‘illaa ‘alal-laahi wa ‘umirtu ‘an ‘akoena minal- Mus-limien.

72 Maar als jullie terugkeren, vraag ik jullie niet om een beloning. Mijn beloning komt slechts van Allāh en is opgedragen een van degenen te zijn die zich onderwerpen.

73 Fakaz-zaboehu fanadj-djaynaahu wa mammaa-‘ahoe fil-Fulki wa dja-‘alnaa-hum galaaa-‘ifa wa ‘aghraq-nallaziena kazzaboe bi-‘Aayaa-tinaa. Fanzur kay-fa kaana ‘aaqibatul-mun-zarien !

73 Maar zij wezen hem af, dus verlosten Wij hem en degenen met hem in de ark, en Wij maakten hen heersers en verdronken degenen die Onze boodschap afwezen. Zie dan, wat het einde was van degenen die waren gewaarschuwd.

74 Summa ba-‘asnaa mimba’-dihie Rusulan ‘ilaa qawmihim fadjaaa-;’oehum-bil-baiyyi-naati famaa kaanoe li-yu’-mienoe bimaa kazzaboe bihie minqabl. Kazaalika natba-‘u ‘alaa quloebil-mu’-tadien.

74 Toen, na hem, stuurden Wij boodschappers naar hun volk. Zij kwamen tot hen met duidelijke argumenten, maar zij wilden niet geloven wat zij al eerder hadden afgewezen. Zo verzegelen Wij de harten van degenen die de grenzen overschrijden.a

75 Summa ba-‘asnaa mimba’-dihim-Moesaa wa Haaroena ‘ilaa Fir-‘awna wa mala-‘ihie bi- ‘Aayaatinaa fas-takbaroe wa kaanoe qawmam-mudj-rimien.

75 Toen, na hen, stuurden Wij Mozes en Aäron met Onze tekenen naar Farao en zijn bevelhebbers, maar zij waren arrogant, en zij waren een schuldig volk.

76 Falammaa djaaa-‘ahumul-Haqqu min ‘indinaa qaaloe ‘inna haazaa lasih-rummubien !

76 Dus toen de Waarheid van Ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk is dit duidelijke tovenarij!

77 Qaala Moesaaa ‘ata-qoeloena lil-Haqqi lammaa djaaa-‘akum ? ‘A-sihrun haazaa ? Wa laa yufie-hus-saahi-roen.

77 Mozes zei: Zeggen jullie (dit) over de waarheid wanneer deze tot jullie is gekomen? Is het tovenarij? En de toevenaars gedijen nooit.

78 Qaaloe ‘adji’-tanaa litalfitanaa ‘ammaa wadjad-naa ‘alay-hi ‘aabaaa-‘anaa wa takoena lakumal-kibri-yaaa-‘u fil-‘ard ? Wa maa nahnu lakumaa bi–Mu’ mi-nien !

78 Zij zeiden: Ben je gekomen om ons af te wenden van hetgeen wij onze vaderen zagen volgen, (zodat) alle aanzien in het land jullie twee toe zal komen? En wij zijn niet van plan in jullie te geloven.

79 Wa qaala Fir-‘aw-nu’-toenie bi-kulli saa-hirin ‘Aliem.

79 En Farao zei: Brengt mij iedere vakkundige tovenaar.

80 Fa-lammaa djaaa-‘assaa-haratu qeaala lahum-Moesaaa ‘alqoe maaa ‘antum-mulqoen !

80 Dus toen de tovenaars kwamen, zei Mozes tot hen: Werp wat jullie willen werpen.

81 Fa lammaaa ‘alqaw qaala Moesaa maa dji’tum-bihis-sihr: ‘innallaaha sa-yubtiluh : ‘innal-laaha laa yus-lihu ‘amalalmuf-sidien.

81 Dus toen zij hadden geworpen, zei Mozes: Wat jullie hebben gebracht is bedrog. Allāh zal het zeker terugbrengen tot niets. Allāh staat immers niet toe dat het werk van onruststokers zal gedijen.

82 Wa yu-hiqqul-laahul-Haqqa bi-Kalimaa-tihie wa law karihal-mudjri-moen !

82 En Allāh zal de waarheid vestigen door Zijn woorden, hoewel de schuldigen hier tegen zullen zijn.

——————————————————————————————————————————————————————————

71a. Zie 7:59a voor de geschiedenis van Noach. De uitdaging van Noach aan zijn tegenstanders, wordt hier in feite herhaald als een uitdaging aan het adres van de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.). Misschien een of twee jaar later, namen deze tegenstanders in hun grote vergaderruimte een beslissing over hoe zij zouden handelen, en omsingelden het huis van de Profeet (s.a.w.) overeenkomstig die beslissing. De Profeet (s.a.w.) ontsnapte echter onopgemerkt uit hun midden, en het lukte hen niet om hem in handen te krijgen.

74a. Zij denken niet na over de waarheid, maar na haar eenmaal te hebben afgewezen, proberen ze zonder zich te bedenken haar vooruitgang verder tegen te werken. Deze toestand wordt beschreven als de verzegeling van het hart. Een passende omschrijving, want wanneer het hart, dat is gemaakt voor reflectie, stopt met nadenken is het zonder twijfel verzegeld.

PARAGRAAF 9: Einde aan het verzet tegen Mozes

83 Fa-maaa ‘aamana li-Moesaaa ‘illaa zur-riyya-tum-min qaw-mihie ‘alaa gaw-fim-min Fir-‘awna wa mala-‘ihim ‘anyyaf-tinahum; wa ‘inna Fir-‘awna la-‘aalin-fil-‘ardi wa ‘innahoe laminal-mus-rifien.

83 Maar, vanwege de angst voor Farao en hun bevelhebbers die hen vervolgden, geloofde er niemand in Mozes behalve enkelen van zijn mensen. En Farao was waarlijk eigenmachtig in het land; en hij was waarlijk buitensporig.a

84 Wa qaala Moesaa yaaqawmi ‘inkuntum ‘aaman-tum billaahi fa-‘alayhi ta-wakkaloe ‘in-kuntum- Musli-mien.

84 En Mozes zei: O mijn volk, als jullie geloven in Alh, vertrouw dan op Hem als jullie je (aan Hem) onderwerpen.

85 Faqaaloe ‘alal-laahi tawakkalnaa. Rabba-naa laa tadj-‘alnaa fitnatal-lil-qawmizzali-mien;

85 Zij zeiden: Op Allāh vertrouwen wij; onze Heer, maak ons niet tot beproeving voor de onrechtvaardige mensen.

86 Wa nadj-dji-naa bi-Rah-matika minal-qawmil-kaafi-rien.

86 En verlos ons door Uw genade van de ongelovigen mensen.

87 Wa ‘w-hay-naaa ‘ilaa Moesaa wa ‘agie-hi ‘an-tabawwa-‘aa li-Qaw-mikumaa bi-Misra bu-yoetanwwadj-‘aloe bu-yoetakum Qib-latanwwa ‘aqie-mus-Salaah: wa basj-sjiril-Mu’minien !

87 En Wij openbaarden aan Mozes en zijn broer: Neem voor jullie volk huizen om in te verblijven in Egypte en maak jullie huizen plaatsen van aanbiddinga en onderhoud het gebed. En breng goed nieuws aan de gelovigen.

88 Wa qaala Moesaa Rabbanaaa ‘innaka ‘aa-tayta Fir-‘awna wa mala-‘ahoe ziena-tanwwa am-waalan-fil-Hayaatiddunyaa Rabbanaa li-yuzilloe ‘an-Sabie-lik. Rabba-natmis ‘alaaa ‘amwaa-lihim wasj-dud ‘alaa quloe-bihim falaa yu’-minoe hattaa yara-wul-‘azaabal-‘aliem.

88 En Mozes zei: Onze Heer, waarlijk heeft U Farao en zijn bevelhebbers in dit leven mooie kleren en rijkdom gegeven, onze Heer, zodat zij mensen af kunnen laten dwalen van Uw weg.a Onze Heer, vernietig hun rijkdom en verhard hun harten, zodat zij niet zullen geloven totdat zij de pijnlijke straf zien.b

89 Qalaa qad ‘udjie-bad-Da’-watu-kumaa fasta-qiemaa wa laa tattabi-‘aaanni sabie-lallaziena laa ya’-lamoen.

89 Hij zei: Jullie smeekbede is aanvaard; ga dus verder op de juiste weg en volg niet het pad van degenen die niet weten.

90 Wa djaa-waz-naa bi-Banie-‘Is-raaa-‘ielal-bahra fa-‘atba-‘ahum Fir-‘awnu wa djunoe-duhoe bagh-yanwwa ‘ad-waa. Hattaaa ‘izaaa ‘adra-kahul-gharaqu qaala ‘aa-mantu ‘anna-Hoelaaa ‘ilaa-ha ‘il-lalla-zie ‘aamanat bihie Banoe-‘Israaa-‘iela wa ‘ana minal Musli-mien.

90 En Wij brachten de Kinderen van Israël over de zee. Toen volgden Farao en zijn legers hen voor onderdrukking en tirannie, totdat, toen de verdrukkingsdood hem achterhaalde, hij zei: Ik geloof dat er geen god is dan Hij in Wie de Kinderen van Israёl geloven, en ik behoor tot degenen die zich onderwerpen.a

91 ‘Aaal-‘aana wa qad ‘a-sayta qabla wa kunta minal-muf-sidien !

91 Wat! Nu! En voorwaar, hiervóór was jij ongehoorzaam en behoorde je tot de onruststokers!

92 Fal-yaw-ma nunadj-djieka bi-badanika lita-koena liman galfaka ‘Aayah; wa ‘inna kasieram-minan-naasi ‘an ‘Aayaa-tinaa la-ghaa-filoen !

92 Maar deze dag zullen Wij jou redden in jouw lichaam opdat je een teken zult zijn voor degenen na jou. En waarlijk nemen de meeste mensen Onze tekens niet in acht.a

——————————————————————————————————————————————————————————

83a. De Israёlieten geloofden in Mozes, zoals de verzen die volgen aangeven. Met zijn mensen wordt daarom de echtgenote van Farao bedoeld (66:11) en een gelovige (40:28). Het woord dzoerrijjah betekent nageslacht, en volgens I‘Ab betekent het hier qalil of enkelen.

87a. De qiblah is hetgeen waarnaar men zich keert als men bidt, en duidt daarom op een plaats van verering. De Israёlieten waren verplicht in hun huizen te bidden omdat zij geen volledige religieuze vrijheid genoten in Egypte en geen openbare plaatsen voor verering hadden.

88a. De lām hier – vertaald met zodat – is in werkelijkheid lām ‘aqibat of de lām die gebruikt wordt om een doel aan te geven. De betekenis is niet dat Allāh hun rijkdom had verleend om mensen te misleiden, maar dat dit het doel was waarvoor zij hun rijkdom aanwendden.

88b. Farao en zijn volk gaven niet om bewijzen of tekens. Mozes bidt saarom nu voor hun bestraffing. Sjadda ‘alai-hi betekent ook hij viel hem aan, en Allāh’s aanval op hun harten (“verhard hun harten”) zou betekenen hen onthouden van dat wat hun harten verlangden.

90a. Tijdens hun doodsstrijd hebben uitgesproken atheïsten soms het bestaan van Allāh erkend.

92a. Hoewel de Bijbel dit feit niet noemt, is het duidelijk dat het lichaam van Ramses II, die beschouwd wordt als de Farao van Mozes, werkelijk aan wal werd geworpen omdat zijn lichaam behouden tussen de mummies in Egypte is ontdekt (En. Br. Art. “Mummy”). Dit is een ander voorbeeld van de ontoereikendheid van de Bijbelse vertelling en van de waarheid van de tekst van de Qoer-ān waar deze de Bijbel aanvult. De ontdekking die nu is gedaan, kon niet bekend zijn aan de Heilige Profeet (s.a.w.) en was tot zeer kort geleden aan niemand bekend.

PARAGRAAF 10: Degenen die de waarschuwing in acht nemen,

zullen daar baat bij hebben

93 Wa laqad baw-wa’naa Banie-‘Israaa-‘iela Mu-bawwa-‘a sidqinwwa razaq-naa-humminat-tayyi-baat: fa-magtalafoe hattaa djaaa-‘a-humul-‘ilm. ‘Inna Rabbaka yaqzie bay-nahum Yawmal-Qiyaamati fie- maa kaanoe fiehi yagtalifoen.

93 En waarlijk huisden Wij de Kinderen van Israël in een uitstekend verblijf en voorzagen hen van goede dingen. Daarna verschilden zij niet (van mening) tot de kennis tot hen kwam.a Op de dag van de Opstanding zal jouw Heer waarlijk een oordeel tussen hen vellen, aangaande dat waarin zij verschilden.

94 Fa-‘in-kunta fie sjakkimmimmaaa ‘anzalnaaa ‘ilay-ka fas-‘alil-laziena yaq-ra-‘oenalkitaaba min-qab- lik : laqad djaaa-‘akal-Haqqu mir-Rabbika falaa takoe-nanna minal-mumtarien.

94 Maar als jij twijfelta over wat Wij aan jou geopenbaard hebben, vraag (het) dan degenen die het Boeka vóór jou lazen. Waarlijk is de Waarheid tot jou gekomen van jouw Heer, behoor daarom niet tot de twijfelaars.

95 Wa laa takoe-nanna minal-laziena kazza-boe bi-‘Aayaa-tillaahie fata-koena minal-gaasirien.

95 En behoor niet tot degenen die de boodschap van Allāh afwijzen, (want) dan zal je tot de verliezers behoren.

96 ‘Innal-laziena haqqat alayhim Kalie-matu Rabbieka laa yu’mi-noen-

96 Waarlijk zullen degenen tegen wie het woord van jouw Heer bewaarheid is geworden, niet geloven,

97 Wa law Djaaa-‘at-hum kullu ‘Aayatin hatta yara-wul-‘azaa-bal-‘aliem.

97 Hoewel ieder teken tot hen zou komen, totdat zij de pijnlijke straf zien.

98 Fa-law laa kaanat qaryatun ‘aamanat fa-nafa-‘ahaaa ‘Iemaa-nuhaaa ‘illaa Qawma JOENUS ? Lammaaa ‘aamanoe kasaf-naa anhum ‘Azaabal-giz-yi fil-Hayaatid-dunyaa wa matta’-naahum ‘ilaa hiem.

98 En waarom was er geen stad die geloofde, zodat zij baat gehad zouden hebben bij hun geloof, behalve het volk van Jona? Toen zij geloofden, namen Wij de straf van schande in dit wereldse leven van hen weg en Wij gaven hen voorziening voor enige tijd.a

99 Wa law sjaaa-‘a Rabbuka la-‘aamana man-fil-‘ardi kulluhum djamie-‘aa ! ‘Afa-‘anta tukri-hunnaasa hattaa yakoenoe Mu’minien !

99 En als het jouw Heer had behaagd, dan had iedereen op aarde geloofd, iedereen. Wil jij dan mensen dwingen totdat zij gelovigen zijn?a

100 Wa maa kaana li-nafsin ‘an-tu’mina ‘illaa bi-‘Iz-nillaah: wa yadj-‘alur-ridjsa ‘alal-laziena laa ya’-qiloen.

100 En het is niet aan enige ziel om te geloven behalve met Allāh’s toestemming. En Hij werpt onreinheid over degenen die niet willen begrijpen.a

101 Qoelin-zuroe maa zaa fissa-maawaati wal-‘ard; wa maa tughnil-‘Aayaatu wan-Nuzuru ‘an-qaw-mil-laa yu’-minoen.

101 Zeg: Aanschouw wat in de hemelen is en op aarde! En tekenen en waarschuwers helpen niets voor een volk dat niet gelooft.a

102 Fahal-yanta-ziroena ‘illaa misla ayyaa-milla-ziena galaw min-qab-lihim ? Qul fantaziroe ‘innie ma’ akum-minalmunta-zirien.

102 Waar wachten zij anders op, dan op wat overeenkomt met de dagen van degenen die vóór hen zijn heengegaan? Zeg: Wacht dan; ook ik behoor samen met jullie tot degenen die wachten.

103 Summa nunadjdjie rusulanaa walla-ziena ‘aamanoe: Kazaa-lik. Haqqaa ‘alay-naa nundjil-Mu’-minien !

103 Dan verlossen Wij Onze boodschappers en degenen die geloven – zo ook (nu); Wij zijn eraan gebonden de gelovigen te verlossen.

——————————————————————————————————————————————————————————

93a. Het eerste deel van deze passage wordt door sommigen opgevat als een verwijzing naar de Israёlieten die tegelijk met en na Mozes leefden, en door anderen, waaronder I‘Ab, als een verwijzing naar de joden uit Madinah (Rz). In dat laatste geval is het een profetische aankondiging van de joodse houding ten opzichte van de Profeet (s.a.w.) als hij later naar Madinah vlucht.

94a. Er moet worden opgemerkt dat de persoon die in de Heilige Qoer-ān wordt aangesproken niet altijd de Profeet (s.a.w.) is, zelfs als de vorm enkelvoud is, zoals hier. Het is heel vaak de lezer. De woorden aan jou geopenbaard tonen ook niet automatisch aan dat de Profeet (s.a.w.) wordt bedoeld, want van de Heilige Qoer-ān wordt op vele plaatsen gezegd dat hij geopenbaard is aan alle mensen. Voorbeelden hiervan zijn, “wat aan ons geopenbaard is” (2:136), en “Waarlijk hebben Wij aan jullie een Boek geopenbaard” (21:10). De openingswoorden van de volgende paragraaf maken duidelijk dat hier de lezer wordt aangesproken, want daar zien we: “Zeg: O mensen, als jullie twijfelen aan mijn religie” (v. 104). Door de hele Heilige Qoer-ān heen verschijnt de Heilige Profeet (s.a.w.) in de grootste zekerheid over het woord dat aan hem werd geopenbaard. Zo zeker was hij van zijn zaak, dat hij nooit de minste twijfel had over de waarheidsgetrouwheid van de beloften over het toekomstige succes en de zege, terwijl er voor het fysieke oog in de weidse omtrek niets anders te zien was dan mislukking en teleurstelling.

In het vers dat hier direct op volgt, staan de woorden en behoor niet tot degenen die de boodschap van Allāh afwijzen, wat duidelijk aantoont dat het de tegenstanders van Allāh zijn die hier woorden aangesproken.

94b. Dat wil zeggen, vraag hen of de eerdere openbaringen geen heldere profetieёn bevatten over de komst van de Profeet (s.a.w.).

98a. Vergelijk Jona 3:10: “Toen Allāh zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun slechte pad, berouwde het Allāh over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.” Verwijzingen naar Jona zijn opgenomen in de Heilige Qoer-ān in 6:86; 10:98; 21:87; 37:139–148; 68:48–50. Hij vertoont overeenkomsten met de Heilige Profeet (s.a.w.) in het opzicht dat zijn volk welvoer bij zijn waarschuwing, zoals de Arabieren deden na de waarschuwing van de Profeet (s.a.w.), hoewel na veel tegenstand. Jona is het type profeet wiens volk genadig werd behandeld.

99a. Vergelijk 2:256: “Er bestaat geen dwang in religie.” Dit verwijst naar de grote geestdrift van de Profeet (s.a.w.) en het feit dat hij zichzelf te zeer inspande bij het prediken van de waarheid: “Misschien zal jij jezelf dan doden door verdriet, weeklagend om hen, indien zij niet geloven in deze aankondiging” (18:6).

100a. Degenen die de waarheid niet zullen begrijpen zullen onreinheid over zich krijgen uitgestort. Dat is slechts natuurlijk. Het woord ridjs betekent ook straf (LL), en de betekenis is in dat geval dat degenen die niet geven om de waarschuwing, de straf moeten ontvangen.

1012a. Er is een overvloed aan tekenen in de natuur zelf, maar de mens slaat er geen acht op.

PARAGRAAF 11: Goddelijk oordeel

104 Qul yaaa-‘ayyu-hannaasu ‘in-kuntum fie sjakkim-mindienie falaaa ‘a’-budul-laziena ta-budoena min-doenil-laahi wa laakin ‘a’-budul-laahallaziena yata-waffaa-kum: wa-‘umirtu ‘an ‘akoena minal- Mu’-minien.

104 Zeg: O mensen, als jullie twijfelen aan mijn religie, weet dan dat ik niet degenen dien die jullie dienen buiten Allāh, maar ik dien Allāh, Die jullie laat sterven; en mij is opgedragen tot de gelovigen te behoren,

105 Wa ‘an ‘aqim wadj-haka lid-Dieni hanie-faa, wa laa takoe-nanna minal-Musj-rikien.

105 En dat je doelgericht en oprecht de Religie tegemoet mag treden; en behoor niet tot de polytheïsten.

106 Wa laa tad-‘u min-doenillaahi maa laa yanfa-‘uka wa laa yazurruk: fa-‘in-fa-‘alta fa-‘innaka ‘izam-minaz-zaa-limien.

106 En roep niet buiten Allāh aan wat jou geen voordeel kan brengen, noch nadeel; want wanneer je dit doet, zal je tot de onrechtvaardigen behoren.

107 Wa ‘inyyam-sas-kallaahu bi-zurrin-falaa kaasjifa lahoe ‘illaa Hoe: wa ‘inyyu-ridka bi-gay-rin-falaa raadda lifazlih: yusiebu bihie manyyasjaaa-‘u min ‘ibaa-dih. Wa Huwal-Ghafoe-rur–Rahiem.

107 En wanneer Allāh jou treft met onheil, is er niemand anders dan Hij om het weg te nemen; en wanneer Hij jou goed wenst te doen, dan is er niemand die weerstand kan bieden aan Zijn goedgunstigheid. Hij brengt het naar wie van Zijn dienaren het Hem behaagt. En Hij is de Vergevensgezinde, de Barmharige.

108 Qul yaaa-‘ayyu-hannaasu qad djaaa-‘akumul-Haqqu mir-Rabbi-kum ! Famanihtadaa fa-‘innamaa yahtadie li-nafsih; wa man-zalla fa-‘inna-maa ya-zillu ‘alay-haa: wa maaa ‘ana ‘alay-kum-bi-wakiel.

108 Zeg: O mensen, de Waarheid is waarlijk tot jullie gekomen van jullie Heer; dus wie de juiste richting gaat, gaat de juiste richting slechts ten bate van zijn eigen ziel; en wie dwaalt, dwaalt slechts ten nadele ervan. En ik ben geen voogd over jullie.

109 Wattabi’ maa yu’-haaa ‘ilay-ka was-bir hattaa yahgumal-laahu wa Huwa Gayrul-haa-kimien.

109 En volg wat er aan jou wordt geopenbaard en wees geduldig tot Allāh een oordeel velt, en Hij is de Beste van de rechters.

——————————————————————————————————————————————————————————