Noach en de ark

Waarlijk stuurden Wij Noach naar zijn volk, dus hij zei: O mijn volk, dien Allāh, jullie hebben geen andere god dan Hij. Zeker vrees ik voor jullie de straf van een verschrikkelijke dag.

De leiders van zijn volk zeiden: Waarlijk zien wij jouw duidelijke dwaling.

Hij zei: O mijn volk, ik dwaal niet, maar ik ben een boodschapper van de Heer van de Werelden.

Ik breng jullie de boodschap van mijn Heer, en ik bied jullie goede raad, en ik weet van Allāh wat jullie niet weten.

Zijn jullie verbaasd, dat er een herinnering van jullie Heer tot jullie is gekomen via een man uit jullie midden, opdat hij jullie zal waarschuwen en opdat jullie je zullen hoeden voor het kwaad, en opdat jullie genade geschonken zal worden?

En het werd geopenbaard aan Noach: Niemand uit jouw volk zal geloven behalve degenen die al geloofden, dus treur niet om wat zij doen:

En maak de ark onder Onze ogen en Onze openbaring, en spreek niet tegen Mij ten behoeve van degenen die onrechtvaardig zijn. Zij zullen waarlijk worden verdronken.

En hij begon de ark te maken. En iedere keer als de leiders van zijn volk bij hem langs liepen, lachten zij hem uit. Hij zei: Als jullie ons uitlachen, dan lachen wij jullie ook uit, net zoals jullie (ons) uitlachten.

Dus jullie zullen weten wie het is, tot wie er een straf zal komen die hem te schande zal maken, en wie er zal worden getroffen door een aanhoudende straf.

Uiteindelijk, toen Ons bevel kwam en het water met kracht uit de vallei stroomde, zeiden Wij: Draag er naar binnen twee van alle dingen, een paar, en jouw eigen familie – behalve degenen tegen wie het woord reeds is uitgevaardigd – en degenen die geloven. En er waren er maar weinigen die met hem geloofden.

En hij zei: Ga aan boord, moge haar vaart en haar verankering in de naam van Allāh zijn. Mijn Heer is waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.

En hij bewoog zich met hen tussen golven als bergen. En Noach riep naar zijn zoon, en hij was afzijdig: O mijn zoon, kom bij ons aan boord en wees niet met de ongelovigen.

Zijn zoon zei: ik zal mij voor toevlucht naar een berg begeven, die mij zal redden van het water. Noach zei: Vandaag is er niemand veilig voor Allāh’s bevel, behalve degene met wie Hij genade heeft. En een golf kwam tussen hen beiden, dus was hij (zijn zoon) een van de verdronkenen.

En Noach riep tot zijn Heer en zei: Mijn Heer, waarlijk behoort mijn zoon tot mijn familie. En Uw belofte is waar, en U bent de Meest Rechtvaardige van de rechters.

Hij zei: O Noach, hij behoort niet tot jouw familie; hij is de belichaming van onrechtschapen gedrag. Dus vraag aan Mij geen dingen waar je geen kennis van heb. Ik vermaan je, opdat je niet tot de onwetenden zult behoren.

Hij zei: Mijn Heer, bij U zoek ik er mijn toevlucht tegen dat ik U datgene vraag waarover ik geen kennis heb. En tenzij U mij vergeeft en genade met mij hebt, zal ik een van de verliezers zijn.

En er werd gezegd: O aarde, verzwelg jouw water, en o wolk, trek weg. En er werd voor gezorgd dat het water bedaarde, en de zaak was beslist, en hij rustte op de Djoedi, en er werd gezegd: Weg met de onrechtvaardige mensen!

En werd gezegd: O Noach, daal af met vrede van Ons en zegeningen over jou en de volkeren (die voortkomen) uit degenen met jou. En er zijn volkeren die Wij voorzieningen verschaffen, en dan worden zij gekweld door een pijnlijke straf van Ons.

Dit zijn aankondigingen aangaande het ongeziene, die Wij aan jou openbaren; hiervóór was jij hier niet van op de hoogte – (noch) jij noch jouw volk. Dus wees geduldig. Het (goede) einde is waarlijk voor de plichtsgetrouwen.

Surah al A’raf 7:59-63; Surah Hud 11:36-49


Recommended Posts